Toespraak van en door Cees GrimbergenDomkerk, 4 mei 2004. | ||
De Nederlandse vlag halfstok op 4 mei |
Foto:SMM Archbold |
Goedenavond,
Van ‘na de oorlog’ ben ik.
Ook ik werd opgevoed met waarheden
als:’Dit nooit weer’. En:‘Herken het zondebok-denken dat uiteindelijk tot
de Shoah leidde’. En vooral:’Leer de lessen uit het verleden’.
Voor mij is het herdenken of het nu bij het monument op de Waalsdorpervlakte is of hier in de Domkerk- je proberen te verplaatsen in het onmetelijk grote verdriet dat zovelen is aangedaan. Om direct daarna jezelf dus de vraag te stellen:’Wat kan ik leren van de gruwelijke waarheid over ‘40’-’45 voor het hier en nu?’
Die vraag is in ons land
en niet alleen bij ons in Nederland- zó vaak
opgeroepen dat inmiddels een reflex is ontstaan. Zodra we moeten oordelen
over onrecht en geweld halen we er, naar believen, de Tweede Wereldoorlog
bij.
En dát was twee weken geleden de letterlijke tekst op een
spandoek van demonstrerende woonwagenbewoners in Vinkenslag bij
Maastricht:’We leven weer in de jaren ‘40-‘45’, was er op te lezen. Het
spandoek was de opgewonden reactie op het -in de ogen van de
woonwagenbewoners- onrecht dat hen wordt aangedaan. Justitie en de
burgemeester vinden namelijk dat ook woonwagenbewoners zich aan de wet
moeten houden.
Vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog worden steeds makkelijker en vaker gemaakt. Hitler, Himmler, Auschwitz, de SS, Mussert, de NSB, de concentratiekampen: ALLES is bruikbaar om je gelijk te halen.
Want: ‘40-’45 is dé verklarende ultieme én simpele- beeldspraak om te duiden wie er ‘goed’ en wie er ‘fout’ is. Wie het slachtoffer is en wie de dader. En zo worden ‘goed’ en ‘fout’ scherp tegenover elkaar geplaatst.
De Tweede Wereldoorlog is een vergelijking geworden; een beeldspraak, een symbool. En bovendien: De Tweede Wereldoorlog werd ons ‘moreel ijkpunt’, zoals geschiedenis-professor Von der Dunk vorig jaar schreef. En daar moeten we van af, vindt hij.
Vier voorbeelden.
- Begin jaren tachtig stond ik erbij toen het Oud Strijders Legioen werd uitgemaakt voor ‘fascisten’. Omdat de Oud Strijders het waagden enigszins vóór plaatsing van kruisraketten te zijn.
- In 1993 wilde het Ministerie van Landbouw pitbulls verbieden, omdat die honden te gevaarlijk zijn. De pitbull-eigenaren protesteerden daar tegen en ze meenden hun zaak kracht bij te zetten door de pitbulls een gele jodenster om te hangen. De boodschap was duidelijk: ‘goed’ zijn de honden en hun baasjes, ‘fout’ de plannenmakers van het ministerie.
- En in de herfst van 2000 zei Robert Long als ambassadeur van Varkens in Nood: ‘Wat Dachau was voor de Joden, is de vleesindustrie voor de varkens’.
- In winter en voorjaar van 2002 werden heel wat oorlogsvergelijkingen over Pim Fortuyn uitgestort. Zo schreef PvdA-man Bart Tromp over Fortuyn: ‘Aan democratie heeft onze Madurodam-Mussolini een broertje dood’. Fortuyn schold duchtig terug. Maar hijzelf gebruikte trouwens nooit beeldspraken die ontleend waren aan 1940-1945.
Juridisch gezien mag dit allemaal gezegd en geschreven worden. Maar wat is de betekenis? Is het gebruik van vergelijkingen met de holocaust door politici en actievoerders misplaatst? Of hoort bij een fors meningsverschil soms juist een overdreven vette vergelijking? Desnoods met Hitler en de gaskamers?
Van mij mogen die grote woorden wel wat minder groot. Want ze zijn bedoeld om de tegenstander in een zo kwaad mogelijk daglicht te plaatsen. ‘Verbind je tegenstanders zo veel mogelijk met het Foute!’ is de gedachte. Het gevolg: Jíjzelf bent dus ‘goed’ en uiteindelijk dus ook beter dan de ander. Een ander gebruik van hetzelfde principe is: Zet je tegenstander als ‘dader’ neer. Gevolg: jij verwerft dan als ‘slachtoffer’ de sympathie.
Jan Pronk spreekt over ‘deportatie’, als hij het over het beleid van minster Verdonk rond uitgeprocedeerde asielzoekers heeft. Een Provinciale Staten-lid in Zuid Holland vindt de Nederlandse houding tegenover moslims doen denken aan de ‘übermensch-ideologie’ en ‘de Duitse bezetting. En de dierenbelangenorganisatie PETA vergelijkt de bio-industrie met de massamoord op zes miljoen Joden. Om de vergelijking te staven tonen de dierenactivisten een foto-montage: links joodse kinderen achter prikkeldraad in een vernietigingskamp en rechts biggetjes achter tralies.
Het gróótste bezwaar tegen al deze vergelijkingen met vervolging, deportatie en vernietigingskampen is dat mensen geen zicht meer hebben op hoe gruwelijk de massamoorden in de Tweede Wereldoorlog wérkelijk waren. En hoe vaker je de vergelijkingen maakt, des te minder effectief ze zijn. Het is de inflatie van de vergelijking. En zo verliest het gruwelijke beeld aan kracht.
En er is nog iets mis aan deze vergelijkingen. De werkelijkheid is dat de marge tussen ‘goed’ en ‘fout’, smal is. Het onderscheid tussen goed en fout ligt vaak subtiel en genuanceerd. Dát is nu juist het voortschrijdend inzicht van de afgelopen 59 jaar. Bovendien: veel actuele kwesties, bijvoorbeeld het asielzoekersvraagstuk, zijn ook nog eens erg ingewikkeld. En dan is het gemakzuchtig om andere opvattingen met scherpe, aan de oorlog gerelateerde beeldspraken af te doen als minderwaardig.
Maar al deze termen van ruziënde intellectuelen en bevlogen actievoerders zinken in het niet bij de beelden die wekelijks in Nederlandse voetbalstadions worden opgeroepen. Drie weken geleden, rond Feyenoord-Ajax in de Kuip brachten tientallen Feyenoord-supporters de Hitlergroet. De week ervoor zongen duizenden FC Utrecht-supporters tien minuten lang sarrend over ‘Haagse Joden’, tijdens de wedstrijd Utrecht-ADO Den Haag in Galgenwaard. En Ajax-hooligans misbruiken de beelden en associaties uit de Tweede Wereldoorlog voortdurend. Ach, verzuchten velen dan, het zijn maar pubers en jongvolwassenen die willen provoceren. Supportershumor
Ik ben het daar niet mee eens. Dezen mannen (en een aantal vrouwen) én
hun meelopers gebruiken de beelden en symbolen uit de Tweede Wereldoorlog
om in 2004 haat te zaaien in hun eigen rituele oorlog. En ze worden daarin
nauwelijks afgeremd.
Deze harde kern die bij haat leeft, leerde de
bekende les: de generatie die geen oorlog heeft gekend, creëert zijn eigen
oorlog.
En die oorlog komt meer en meer de straat op. Nog afgelopen
vrijdag waren op 200 meter van hier, aan het Voor-Clarenburg de
spreekkoren te horen. Over ‘Joden’ en over ‘gas’.
Misplaatst uitingen van idealistische actievoerders, politici die
tegenstanders in het vuile goed stoppen, overdreven slachtofferschap,
doorgeschoten eigenwaan en het supportersoorlogje. Is hier een pessimist
aan het woord?
Nee, maar ik betrap me op de gedachte dat Nederland
meer en meer een schreeuwersparadijs aan het worden is. Een plek waar een
zekere overeenstemming over wat goede smaak is, heeft plaats gemaakt voor
het voortdurende misbruik van de beelden uit en vergelijkingen met de
Tweede Wereldoorlog. En dit alles om het eigen gelijk te halen.
Maar de hoop blijft. Met zóveel mensen op het Domplein. Met sinds
vorige week een naam voor het plantsoen waar het Zuilense verzetsmonument
staat: het Hennie Knipschildplantsoen.
Morgen wens ik u een mooi
bevrijdingsfeest.
En ik eindig met een dichtregel van Remco Campert:
Verzet begint
met kleine daden en niet met grote woorden.