Toespraak Mevr. mr A.H. Brouwer-KorfDomkerk, 4 mei 2006. | ||
De Nederlandse vlag halfstok op 4 mei |
Foto:SMM Archbold |
Dames en heren,
Je loopt te winkelen in de Elisabethstraat.
Je bent op de fiets
van je werk op weg naar huis
ergens in Leidsche Rijn.
Je haalt je kinderen van school
op Kanaleneiland.
Je zit op een terrasje aan de Oudegracht.
Je laat je hond uit
langs het spoor in het Noorderpark.
Je bent aan het voetballen
op een sportveld in Hoograven.
Je hangt de was aan de lijn
achter je huis in Zuilen.
Je stapt uit de bus op het Centraal Station.
En dan hoor je het.
Het geronk van vliegtuigmotoren.
Het geknetter van luchtafweergeschut.
Het gedreun van een bombardement.
Onaangekondigd.
Als een donderslag bij heldere hemel.
Ondanks alles onverwacht.
Ongelofelijk.
Want vrede
(dat is de tijd
dat je rustig kunt winkelen,
naar huis fietsen,
je kinderen van school halen,
op een terrasje zitten,
je hond uitlaten, voetballen,
de was ophangen, de bus uit stappen),
vrede, dat is voor ons
de normale situatie.
Oorlog, je gelooft niet
dat het kan gebeuren.
Dat laat je in jouw wereld niet toe.
Niemand WIL oorlog,
niemand kan het zich voorstellen.
Oorlog in je eigen stad, je eigen land.
Oorlog rondom je eigen huis,
rondom je eigen geliefden.
Zo'n gevoel moeten veel mensen
op 10 mei 1940 hebben gehad,
toen die vliegtuigen over kwamen
en die bommen vielen.
Als een donderslag bij heldere hemel
en wat volgde was vijf jaar duisternis.
En sinds de Tweede Wereldoorlog
is West-Europa, dat is helder,
vrij gebleven van oorlog.
Dat NOOIT meer.
Maar elders op de wereld kwam ook na 1945
de oorlog toch weer in het leven van TE veel mensen.
Mensen zoals u en ik,
in Korea, in Hongarije,
in Vietnam, in Biafra,
in Afghanistan, op de Falkland-Eilanden,
in Iran, in Irak, in Koeweit,
in Israel, in Libanon,
in Somalië, in Tsjetsjenië,
in Colombia, in Sierra Leone,
in voormalig Joegoslavië,
in Rwanda, in Darfoer.
En op al die andere plaatsen waar na DE oorlog oorlogen zijn gevoerd.
En na elke oorlog denk je:
dat NOOIT meer.
Dames en heren,
Wij gedenken vandaag al die mensen
die aan het winkelen waren,
aan het sporten, aan het fietsen,
de was aan het ophangen,
die daarna zijn meegezogen
in de maalstroom van de oorlog.
Mensen die het slachtoffer werden
van die maalstroom,
een maalstroom die sterker is
dan de mensen die hem veroorzaken.
Wij gedenken mensen
van wie sommigen
als een held of heldin zijn gestorven,
anderen niet.
Mensen die zijn gestorven
nadat ze een goede
of een verkeerde keuze hadden gemaakt.
Mensen zoals u en ik.
Mensen die er, al leven ze niet meer,
voor ons nog wel degelijk zijn.
Wat deden zij
toen ze werden geconfronteerd
met oorlog en geweld?
Toen het TOCH weer gebeurde?
Wat doen wij
als we worden geconfronteerd
met oorlog en geweld?
Als het TOCH weer gebeurt?
Eind vorige maand was op televisie
een documentaire te zien
over de kunstenaar Jan Montijn.
Die heeft in de oorlog, als jonge man,
een paar verkeerde keuzes gemaakt.
Hij had in het Duitse leger gevochten.
Na de oorlog overzag hij zijn leven
en de wereld.
'Ik had het overleefd', constateerde hij.
'Maar met welk recht?'
Het was een oud-verzetsstrijder
die hem zei wat hij het best kon doen.
'Je moet zo goed mogelijk gaan onderzoeken
wat er gebeurd is,
zodat je het een volgende keer WEL herkent,
en je moet meehelpen
een maatschappij op te bouwen
waarin dit soort dingen
niet meer voor zullen komen.
Je bent nog jong, je moet verder,
maar je mag het niet vergeten...'
Niet vergeten.
Onderzoeken wat er is gebeurd.
Meebouwen aan een samenleving
zonder oorlog.
Alert zijn.
Altijd nadenken wat je doet.
Dat moeten ook wij doen,
wij allemaal,
wij als Utrechters,
wij als Nederlanders,
wij als Europeanen,
wij als bewoners van de wereld.
Vandaag, op 4 mei, maar ook op alle andere dagen.
In dialoog blijven.
Niet te snel oordelen.
De tijd nemen om na te denken,
om te beseffen:
diversiteit is niet zwart-wit
en achteraf is het makkelijk praten.
Dat zijn we verplicht
aan al die mensen
die door de maalstroom van de oorlog
werden en worden vermorzeld.
Dat zijn we aan hen verplicht
in naam van de toekomst.
Mevr. mr A.H. Brouwer-Korf