Kranslegger Ernst Verloop – Oorlogsheld tegen wil en dank

Ernst Verloop hielp om Nederland te verlossen van de Duitsers. Toen in mei 1940 Nederland bezet werd was hij pas dertien jaar oud. Oorlog, dat leek hem best spannend.

“Het was 10 mei 1940, ik lag in mijn bed te slapen, toen ik wakker werd van het lawaai van overvliegende vliegtuigen. Het moet een uur of drie uur geweest zijn. Ik lag een tijdje te luisteren en toen dacht ik: ‘Wat is dit vreemd!’ Toen ben ik naar de slaapkamer van mijn ouders gegaan. Ik heb ze wakker gemaakt, en we hebben de radio aangezet. Toen hoorden we dat de Duitsers waren binnengevallen. Dat was best een verrassing, want ik dacht dat Nederland neutraal zou blijven, net als in de Eerste Wereldoorlog. In de jaren daarvoor waren er wel vaak logees bij mijn grootouders. Dat waren Joodse wetenschappers, die waren gevlucht uit Duitsland. Die bleven dan enige weken bij mij grootouders, voordat ze per schip naar Amerika vertrokken.”

“Ik geloof niet dat ik die nacht van de inval bang was, ik denk eerder dat ik het wel spannend vond. Mijn ouders en de rest van de familie dachten daar heel anders over. Die maakten zich grote zorgen. Zij waren bang dat, wat in de jaren dertig in Duitsland was gebeurd met de Joden, ook in Nederland zou gaan gebeuren. In die eerste maanden van de oorlog hebben een aantal mensen in mijn Joodse omgeving zelfmoord gepleegd, en dat maakte grote indruk op mij.”

“Ik ben geboren aan de Ramstraat in Utrecht. Mijn jeugd was opgewekt en plezierig. Ik had veel vrienden en speelde buiten in de Emmalaan, bij het Wilhelminapark. Er gebeurde niet veel bijzonders, ik had een hele gewone jeugd. Ik ging naar school, de Frans Halsschool. Ik was best goed en haalde mooie cijfers. Net als veel kinderen van de Frans Halsschool ging ik daarna naar het Stedelijk Gymnasium. Ik heb joods bloed, maar daar was ik mij niet zo van bewust. Ik wist dat mijn grootmoeder 100% joods was. Maar dat heeft nooit een rol gespeeld in mijn jeugd, totdat de oorlog kwam. Ik zou zeggen dat we thuis humanisten waren. En van het joodse geloof heb ik niets meegekregen.”

“Het leven veranderde die eerste jaren van de oorlog. Ik mocht van mijn ouders niet meer naar de bioscoop, waarom dat was, kan ik me niet meer herinneren. Ik ging nog wel gewoon naar school. Voor sportverenigingen moest je iets ondertekenen van een Duitse sportorganisatie. Dat wilden mijn ouders niet. En dus kon ik niet meer hockeyen. En dat was jammer. Maar er was een oplossing. De familie Van Marwijk Kooy stelden op hun landgoed Vollenhove een stukje grond ter beschikking waar alle weigeraars konden hockeyen. Maar dat was van korte duur, NSB-ers hebben daar een stokje voor gestoken.”

“Ergens in 1942 of 1943 werd mijn broer Willem opgepakt. Hij zat in een verzetsgroep van Delftse studenten, onder leiding van Willem Pahud de Mortanges. Zij hadden geprobeerd in de Rotterdamse haven onderzeeërs te laten zinken. De hele groep werd opgepakt en zat op het Wolvenplein gevangen. Ze werden door het Duitse Marinegericht berecht. Een van de jongens uit die groep was de zoon van een Rotterdamse havenbaron. Die huurde een goede advocaat in. Die heeft nog geprobeerd om een rechter om te kopen. Zonder succes. De hele groep is daarna op 18 mei 1943 gefusilleerd bij Fort Rhijnauwen. Behalve mijn broer. Hij had geen wapens bij zich toen hij werd opgepakt, dat was zijn geluk. Hij kreeg vijftien jaar tuchthuisstraf, en werd naar Duitsland overgebracht. Hij heeft gelukkig de oorlog overleefd.”

“Halverwege de oorlog is mijn grootvader opgepakt. Hij had een aantal eredoctoraten in Duitsland. Door goede contacten kwam hij weer vrij. Maar mijn grootvader was eigenwijs, en leefde een beetje in een ivoren toren. Hij vroeg zich af of de Duitsers het recht hadden hem op te pakken. Noem het naïef, maar het werd hem fataal. Hij weigerde onder te duiken. In februari 1944 is hij opnieuw opgepakt. Bij aankomst in Auschwitz Birkenau is hij direct vergast.”

“Dit soort gebeurtenissen maakte grote indruk op me. Het gevoel dat de oorlog spannend was, veranderde daardoor wel. Vrij snel begon ik illegale krantjes rond te brengen. Dan kreeg ik een stapeltje van zo’n vijftien kranten, en dan werd me verteld waar ik die heen moest brengen. Ach, het was wel spannend, maar het was geen echt verzet, het was een beetje spielerei. Als je gepakt werd riskeerde je, als jongen van een jaar of veertien, een tijdje in de gevangenis.”

“In september 1944 was er Dolle Dinsdag, heel Nederland dacht dat ze snel bevrijd zouden worden. Mensen stonden al langs de weg om de bevrijders te verwelkomen. Maar die kwamen niet. Direct daarna werden ook jonge jongens, zoals ik opgepakt om te gaan werken in Duitsland. Het was de tijd dat ik en mijn vriendje Charles Zweep benaderd werden door mijn judoleraar Jan Schneiders. Hij zat bij de KP, de Knok Ploeg. Aan het eind van een judoles kwam hij naar ons toe. Hij zei dat hij wist dat wij tegen de Duitsers waren, en hij vertelde dat hij een verzetsgroep had, die tegen de Duitsers vocht. En of wij daar niet bij wilden komen.”

“Ik was pas zeventien, en eigenlijk mocht je dan nog niet bij de KP. Ik moest het dus aan mijn vader vragen, die moest officieel toestemming geven. Mijn vader was niet enthousiast, maar hij vond dat als ik voelde dat ik dat moest doen, dat het mocht. Eigenlijk vond ik het wel heel mooi dat ik gevraagd werd, ik was daar trots op. Je had er in die tijd alleen niet zo veel aan, want je mocht het natuurlijk niet vertellen aan vriendjes en vriendinnetjes. Aan de andere kant was ik me bewust van de risico’s. En de grote angst was niet om te sterven. Ik was veel meer bang om opgepakt te worden en dan helemaal kapot geslagen te worden tijdens het verhoor door de Gestapo of SD. De verhalen die je daarover hoorde waren gruwelijk.”

“In de kelder van een school in De Bilt kregen we les, hoe je een stengun in en uit elkaar moest halen. En ik kreeg een revolver, een Belgisch FN. Leren schieten was er niet bij, dat zou te veel lawaai maken, en bovendien was er een chronisch tekort aan kogels. Daarna zat ik in ‘het verzet’, al was mijn rol heel erg beperkt. We kregen kleine bommetjes, die we in alledaagse verpakkingen stopten. En die legden we op de weg. Als er een Duitse auto overheen reed, ontplofte dat bommetje en werd het wiel van de auto beschadigd. De grootste daad die ik en mijn vriend Charles in de oorlog hebben verricht was het opblazen van een Duitse auto bij het Wilhelminapark. Dat deden we in opdracht van onze commandant. Zo’n bom was een rechthoekig pakketjes, daar stak je dan een ontsteking in. Dat was een koperen pijp met een zuur. In die pijp zat een glazen buisje met een metalen draad. Als je dat glas kapot maakte kwam het zuur bij de draad. Zodra het zuur de draad had opgevreten, ontplofte de bom. We hadden ontstekingen die varieerden van 20 minuten tot meer dan een dag. We staken de bom tussen het spatbord en de motorkap, braken de ontsteking en gingen op een afstand op een bankje zitten wachten. Later heb ik me afgevraagd of het zin had, om zo’n auto op te blazen.”

“Mijn groep had het plan om gevangenen te bevrijden uit het Wolvenplein. Dat werd verraden, en toen ben ik ondergedoken. Pas eind april 1945 werden we weer actief. De bevrijding was aanstaande, en dat wisten we. We werden naar een school in Zuilen gebracht. Daar kregen we een zwarte overall en een stengun. Vervolgens moesten we wachten op orders. We wisten toen nog niet of we mee moesten vechten om de Duitsers er uit te werken. Tot 7 mei hebben we in die school gezeten. Dat was de dag dat Utrecht werd bevrijd. Wij kregen de opdracht om naar het Vredenburg en de Neude te gaan. We moesten de straten vrij houden voor het doortrekkend geallieerde verkeer. In de Potterstraat ontstond commotie toen een NSB-er met een wapen op het dak verscheen. Ik heb op hem geschoten, maar weet niet of ik hem geraakt heb. We hebben hem nooit meer gezien.”

“Wat me heel erg tegenstond was hoe Nederlanders omgingen met vrouwen die een relatie hadden gehad met Duitsers. Die noemden ze toen ‘moffenhoeren’. Die vrouwen werden hardhandig aangepakt, ze werden geslagen en kaal geschoren. Dat ging allemaal niet zachtzinnig, het ging tot bloedens toe. Wij hebben toen ingegrepen. We snapten dat deze vrouwen aangepakt moesten worden, maar dan niet op een manier waar wij nu juist zo tegen gestreden hadden. Als die vrouwen kaalgeschoren moesten worden, dan moest dan door een kapper gebeuren, met een stoel op een tafel, prima, maar zonder geweld.”

“Die eerste dagen kregen we de opdracht om diverse NSB-ers op te pakken en naar Hotel Terminus te brengen. Vreselijk vond ik dat. Dan kwam je thuis bij die mensen, huilende kinderen en echtgenotes die helemaal van streek waren. Ook hebben we Duitse auto’s aan gehouden in de Burgemeester Reigerstraat. Tegen die Duitsers moesten we zeggen dat de oorlog voorbij was, en dat ze verloren hadden. We moesten ze dan naar de Kromhout Kazerne sturen. In Oudwijk is zo’n actie vreselijk uit de hand gelopen, daarbij zijn na de bevrijding nog een aantal BS-ers om het leven gekomen bij een vuurgevecht. Onze commandant was een oude marineman. Hij gaf ons de instructie om het anders aan te pakken. Als er een Duitse auto aankwam legden we onze stenguns op de stoep en gingen midden op de weg staan. Zo maakten we duidelijk dat we niets agressiefs in de zin hadden.”

“In de weken na de bevrijding heb ik nog gewerkt als tolk voor een Engelse officier. Daar ben ik voor betaald. Van dat eerste verdiende geld heb ik toen een zilveren sigarettenkoker gekocht. Dat ding heb ik nu nog steeds. Daarna ben ik naar Oosterbeek vertrokken, dat dorp lag helemaal in puin, na de slag om Arnhem. Ik heb daar geholpen om de huizen op te ruimen. Dat was best een gevaarlijk karweitje, omdat de Duitsers boobytraps hadden achtergelaten. Na de zomer ben ik gaan studeren. In de herfst van 1944 was ik begonnen aan het examenjaar van het Stedelijk Gymnasium. Maar er was in die tijd niet veel onderwijs. In mei 1945 hoorden we dat ons jaar zijn schooldiploma cadeau zou krijgen. Je kan je voorstellen dat ik daar heel blij van werd.” “Op 4 mei 2017 zal ik de krans leggen bij het oorlogsmonument op het Domplein. Ik voel dat als een erkenning voor de vele mensen uit het verzet waar ik een diepe bewondering voor heb. Ik herdenk de mensen die zijn omgekomen in de stad en in mijn familie. Mijn moeder ging vroeger altijd naar het Domplein. Dat ik daar dit jaar ben vind ik een mooie opvolging van mijn moeders traditie.”

Tekst en foto’s: Marc van Rossum du Chattel