Niet alleen de grote verhalen, ook het kleine, de toevallige was verzet
Wim van Scharenburg sr. liep bij toeval voorop tijdens Februaristaking.

Op 4 mei, even na achten, legt dit jaar Wim van Scharenburg namens het voormalige verzet samen met burgemeester Sharon Dijksma de krans tijdens de jaarlijkse Dodenherdenking. Van Scharenburg (1948) doet dat niet alleen als oud-directeur van het Museum van Zuilen en schrijver over de geschiedenis van de wijk, maar ook als zoon. Zijn vader Wim liep, eigenlijk zonder het te beseffen, letterlijk voorop in de Februaristaking van 1941 in Zuilen en Utrecht.
‘Vooroplopen is misschien te veel eer,’ zegt Van Scharenburg. ‘Mijn vader was geen organisator, geen verzetsleider. Hij werkte als metaaldraaier bij de Demka. Alleen: zijn werkplaats zat toevallig het dichtst bij de uitgang.’
Op 25 februari 1941 begon in Amsterdam de Februaristaking, uit protest tegen de Jodenvervolging. De staking bereikte een dag later Utrecht. Werkspoor, met vestigingen in Amsterdam en Zuilen, vormde een cruciale schakel. Er reed meerdere keren per dag een auto tussen de fabrieken. Chauffeur Gerrit Kamperman zag op 25 februari dat het protest in Amsterdam was begonnen: er werd gestaakt tegen de Jodenvervolging door de Duitse bezetter. ‘Dat is een heel goede reden om ook te staken,’ zou hij hebben gezegd.
Een dag later kwamen de mannen in Zuilen bijeen. Ze verlieten Werkspoor en liepen via de Amsterdamsestraatweg richting de Demka-fabriek om ook daar mensen aan te zetten om te gaan staken. Van Scharenburg sr. hoefde er niet lang over na te denken en stond als een van de eersten buiten.
Thuis sprak hij er nooit over. ‘Geen woord,’ zegt Van Scharenburg. Dat zwijgen was typerend. ‘Er was een cultuur van niet praten. Om jezelf te beschermen, maar ook anderen.’ Pas veel later, toen er plannen kwamen voor een herdenkingsmonument voor de Februaristaking in Utrecht, vielen de puzzelstukken op hun plek. ‘Mijn moeder heeft wel honderd keer gezegd dat mijn vader vooropliep, en het was maar zo’n klein mannetje. Ik kon het nooit goed plaatsen en heb het nooit aan de Februaristaking gekoppeld.’ Maar dat veranderde toen Van Scharenburg zich in de geschiedenis verdiepte: het archiefmateriaal, de route van de staking – alles bleek te kloppen.
De staking hield niet lang stand. Na de eerste dag dreigde de bezetter hard in te grijpen. Toch was het signaal krachtig dat ook buiten Amsterdam er verzet was tegen de anti-Joodse maatregelen. ‘Het was misschien maar kort,’ zegt Van Scharenburg, ‘maar het was dapper. Zeker als je bedenkt in wat voor tijd het gebeurde.’
Zijn ouders – Wim en Annie – waren pas net getrouwd toen de oorlog uitbrak. Hun eerste kind, geboren in 1940 met het syndroom van Down, overleed na enkele maanden. In februari 1941 liep zijn vader mee met de stakers. ‘Ik vind dat wel stoer van hem. Iemand die dacht: dit kan zo niet.’
Na de capitulatie stonden fabrieken als Werkspoor en Demka voor een moreel dilemma. Sluiten betekende duizenden arbeiders op straat zetten. Doorgaan betekende werken voor de bezetter. Er werd gekozen voor het laatste, maar ‘in een ander tempo’, zoals Van Scharenburg het noemt. Dat hield Zuilen overeind. De ovens moesten blijven branden voor het smelten van het staal. Daarvoor waren ladingen kolen nodig. En die verdwenen soms ongemerkt weer naar huis, verstopt in kleding. ‘Mijn vader ging ’s morgens broodmager in zijn overall naar de fabriek en kwam soms thuis als een michelinmannetje, volgestopt met kolen.’

Het waren geen heroïsche daden, maar kleine. Schoenen met houten zolen, werden gemaakt in de fabriek. Noodkacheltjes voor de winter, Sinterklaascadeautjes voor de kinderen. Een kerkklok die stilgezet werd omdat Duitse soldaten er hun horloges op gelijkzetten. ‘Wat heet verzet,’ zegt Van Scharenburg. ‘Maar dit zijn momenten waarop mensen zeiden: tot hier en niet verder.’
In Zuilen werden ook gewonde Nederlandse militairen opgevangen en omgeschoold. Er was voedsel, er waren lessen, er was zorg. Tegelijkertijd doken mensen onder, soms letterlijk in de fabrieken. In de naoorlogse jaren kwamen de verhalen mondjesmaat los. Foto’s, anekdotes, herinneringen. Van Scharenburg verzamelde ze decennialang. Hij schreef vele boeken, organiseerde tentoonstellingen, deed onderzoek naar de locaties van Stolpersteinen in Zuilen en monumenten, zoals het monument voor de Februaristaking voor het Museum van Zuilen bij de Werkspoorfabriek.
Die geschiedenis is tastbaar op straat, zegt hij. Maar alleen als je weet waar je moet kijken. Het houten kruis aan de Amsterdamsestraatweg, herhaaldelijk vernield en uiteindelijk vervangen door een stalen, in beton gegoten monument bijvoorbeeld. Het herinnert aan een tragisch bombardement vlak voor het einde van de oorlog, door een Engelse vlieger die dacht een Duits munitietransport te raken. In werkelijkheid ging het om een transport van door geallieerden gedropte wapens en munitie die door verzetsmensen in veiligheid gebracht moest worden in Zuilen.
Hij legde ook de geschiedenis bloot achter de gedenkplaat voor verzetsman Cornelis Oudijk, die op 5 mei 1945 tijdens een beschieting werd geraakt en op 7 mei overleed. ‘Diezelfde dag werd een man getroffen toen hij gras voor zijn konijnen aan het snijden was. Hij had niets met het verzet te maken en werd toevallig geraakt. Voor hem geen plaquette. Dat schuurt.’
Voor Van Scharenburg zit de betekenis van 4 mei juist in die gelaagdheid. Niet alleen de grote verhalen, maar ook de kleine, de toevallige, de ongemakkelijke. ‘Geschiedenis zit in haarvaten,’ zegt hij. ‘Je moet dicht op een wijk zitten om haar te begrijpen.’
Dat hij dit jaar namens het voormalige verzet een krans mag leggen op het Domplein, voelt voor hem bijzonder. ‘Het is één Utrechter per jaar. Dan doe ik dat graag.’ Hij zal daar staan, als zoon van een arbeider die ooit als eerste door een fabriekspoort liep. Niet omdat hij een leider was. Maar omdat hij niet niets kon doen. ‘Dat is waar herdenken over gaat,’ zegt Van Scharenburg. ‘Over mensen die op een moment besloten: ik verzet me.’
