Zeer geachte aanwezigen,
7 mei 1945, ik denk wel dat we dat de meest bewogen dag uit de recente geschiedenis van Utrecht mogen noemen. Heel goed van het 4 en 7 mei comité in deze stad om bij die dag stil te staan. Het blijft intussen wel een beetje genant dat Nederland al 80 jaar zijn bevrijding op de verkeerde dag viert: op 5 mei is er in Wageningen geen capitulatie getekend, dat gebeurde pas de dag daarna, omdat de overwinnaars daar aan de verslagen Duitse generaal Blaskowitz een volle dag de tijd gaven om de capitulatievoorwaarden te bestuderen. Daardoor werd alles een dag uitgesteld en kwamen pas op maandag 7 mei de bevrijders via de Biltstraat hier de stad inrijden. Althans, een heel kleine voorhoede. En het waren niet eens Canadezen, terwijl die toch het leeuwendeel van de bevrijding van oost- en noord-Nederland voor hun rekening hadden genomen. Nee, het Canadese opperbevel was zo fideel om een groepje Engelsen, van de 49e Infanteriedivisie, de zogeheten Polar Bears, de lol te gunnen om als eersten de stad Utrecht binnen te rijden. De Canadezen kwamen, met veel meer man, pas de volgende dag, 8 mei.
De Polar Bears, die trouwens elders in West-Europa voortreffelijk werk hadden gedaan, mochten, na Utrecht ook in Hilversum de blits maken – overal waar ze kwamen werden ze begroet door een uitzinnige menigte. Heel slim van de Canadese generaal Foulkes – zo liet hij andere geallieerden meedelen in de eer en de vreugde. Hij stond zelfs toe dat in Den Haag, op 8 mei, de Nederlandse Prinses Irene Brigade voorop reed – terwijl die bij de bevrijding van ons land maar een heel beperkte rol had gespeeld.
Als je de beelden ziet van de juichende, zingende, dansende menigte in Utrecht op die 7e en 8e mei dan besef je: de bevrijding was met afstand het grootste feest dat ooit in Nederland is gevierd. Het is ook voortreffelijk gedocumenteerd, want iedereen die over een fototoestel beschikte had zijn laatste rolletje bewaard voor de grote dag. Uit al die beelden kun je opmaken dat het niet alleen maar vreugde om de teruggekregen vrijheid is die de mensen zo uitgelaten maakt. Het is vooral ook opluchting. Je moet je proberen te realiseren dat er nog steeds volop honger was in de stad. Er waren naar schatting al een kleine duizend Utrechters bezweken aan de gevolgen van het voedselgebrek. En dat ging ook in april en mei nog zo door. De spullen die de dagen ervoor bij de voedseldroppings naar beneden waren gekomen waren pas een week later te consumeren – door de bureaucratie duurde dat veel te lang. Na de oorlog hebben de bevrijders in west-Nederland overal noodhospitalen geopend om hongerpatiënten te behandelen, dat waren er volgens geallieerde bronnen rond de 280.000.
Een andere reden voor die ongekende opluchting kunnen wij ons ook haast niet meer voorstellen: de vrede betekende dat al die met geweld afgevoerde mannen weer op weg konden naar huis. Bijvoorbeeld die 5500 mannen die bij de grote razzia van 7 oktober 1944 in Utrecht waren opgepakt. Dat waren er wel minder dan de bezetter tevoren had gedacht, maar het is toch een onvoorstelbaar getal, minstens tien procent van de volwassen mannen in de stad. Van de meesten was niets meer vernomen, de communicatie was in het laatste oorlogsjaar dramatisch. Nu zouden ze weer naar huis komen – dat moet ook een reden voor die vreugdeuitbarstingen zijn geweest.
Op die 7e mei was een vooraanstaand onderduiker weer in volle glorie aanwezig: burgemeester Gerard ter Pelkwijk, die in 1942 door de bezetter ontslagen was en daarna aan arrestatie ontkomen door onder te duiken in Doorn. Hij was al eerder naar de stad teruggekeerd om zijn heraantreden, in de plaats van de gehate NSB’er Van Ravenswaaij, goed voor te breiden. Om een uur of elf verscheen hij op het bordes van het Stadhuis, waar de Polar Bears inmiddels ook waren aangekomen. Kort daarna was er een geluid te horen dat de stadsbewoners jarenlang hadden moeten missen: het gelui van kerkklokken.
In 1942 waren bijna alle kerkklokken in Nederland op last van de bezetter weggehaald. Het waren er ongeveer 6700, die moesten worden omgesmolten om er munitie van te maken. Het was misschien wel de maatregel geweest die het toen zeer gelovige Nederlandse volk het meest woedend had gemaakt – de klokken waren door de parochianen en gemeenteleden vaak met kwartjes en dubbeltjes bij elkaar gespaard. Maar…de zeven klokken van de Domtoren waren aan roof ontsnapt. Ze hingen te hoog om uit de toren te takelen. Toch waren ze al die jaren nooit te horen omdat ze met stutten waren vastgezet om hevige gevolgen bij een bombardement te voorkomen. Op zondag 6 mei had Ter Pelkwijk al geregeld dat de stutten werden weggehaald en de klokkenluiders op maandagochtend na jaren inactiviteit op hun post zouden zijn. En zo begonnen om half twaalf de klokken van de Dom weer te luiden, voor veel Utrechters een onvergetelijk moment, hét symbool van teruggekregen vrijheid.
De feestvierders in de stad wisten niet dat er zich die ochtend een ongekende ramp had afgespeeld bij het Rosarium. Het was de wilde schietpartij, die aan tien leden van het voormaligverzet het leven kostte. Twaalf verzetsmensen waren op pad gegaan met de opdracht om collaborateurs te gaan arresteren en hadden zich daarvoor goed bewapend – het verzet was in de laatste oorlogsmaanden ruim van wapens voorzien. Ze zouden van plan zijn geweest als eerste Anton Mussert te arresteren in zijn woonhuis tegenover het Rosarium in wat nu de Prinses Marijkelaan heet. Mussert was er helemaal niet, die wilde in Den Haag zijn arrestatie afwachten. Bij het Rosarium kwamen ze een groep Duitse militairen tegen, die ze besloten te ontwapenen. Daar ging het fout: dat mochten ze helemaal niet, dat was door de Canadese legerleiding ten strengste verboden. Generaal Foulkes was dat op 4 mei persoonlijk aan Prins Bernhard, bevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten komen vertellen – ontwapenen mochten alleen de Canadezen. Bernhard vond het verschrikkelijk, hij voelde het als een trap in zijn maag, verklaarde hij later. Hij heeft dat verbod wel doorgegeven, maar het probleem van die dagen was dat de communicatie overal, maar vooral in verzetskringen, rampzalig verliep. En zo gingen de mannen met onduidelijke en vaak onjuiste instructies op pad. Bij de confrontatie met de Duitse soldaten die bij het Rosarium een vastgelopen vrachtwagen voortduwden, viel een schot. Overal kwamen opeens Duitse soldaten vandaan. Ze schoten tien van de twaalf jonge mannen dood. Op 7 mei, na de Duitse capitulatie dus.
Een van de bittere aspecten van die gebeurtenis is dat dit soort gevechten overal in West-Nederland voorvielen, allemaal tussen 4 en 8 mei, allemaal tussen Nederlandse verzetsjongens die hun finest hour wilden beleven en Duitse militairen die wanhopig, onverschillig en vaak dronken waren. Journaliste Marjolein Bax heeft die tragedie een paar jaar geleden nauwkeurig gereconstrueerd. Alleen al in deze regio: zeven doden in Leersum, acht in Maarssen, dertien in Oudewater, negen in Vinkeveen, vijf in Jutphaas, elf in Westbroek.
In totaal zijn er, inclusief Duitsers, in die dagen 200 doden gevallen bij zulke schietpartijen – 200 doden NA de Duitse capitulatie. Het was in Utrecht een zwarte schaduw over een gouden dag, alleen drong dat besef, ook weer door de afwezigheid van communicatiemiddelen, maar heel langzaam door.
Nog geen kilometer verderop deed zich op de Maliebaan aan het eind van de middag nog een volstrekt unieke gebeurtenis voor. Duizenden rooms-katholieke Utrechters kwamen ter gelegenheid van de bevrijding eer bewijzen aan hun leidsman in zware tijden, aartsbisschop Jan de Jong, die tijdens de oorlog was blijven volharden in zijn negatieve houding tegen de Duitse bezetter en de NSB. Hij was niet geweken voor dreigementen, had zich openlijk uitgesproken tegen Duitse maatregelen en had het verzet geholpen, onder andere met financiële steun en door uiterst kwetsbare informatie over de identiteit en onderduikadressen van joodse kinderen in de kluis van het aartsbisdom te bewaren. Hij was daardoor alom bewonderd en uitgesproken populair in de katholieke gemeenschap. Via een mededeling vanaf de preekstoelen op de zondag ervoor waren de gelovigen opgeroepen voor een defilé langs het paleis. Toen hij ervan hoorde vond De Jong dat maar onzin, hij wilde eerst gewoon boven blijven, maar uiteindelijk ging hij toch voor de deur staan. Volgens zijn biograaf Aukes kwamen er duizenden mensen langs, ze legden bloemen en juichten de aartsbisschop toe. Er werd zelfs gezongen, want er liep een priester in de stoet met een accordeon. Ik heb het verhaal een paar jaar geleden nog uit de eerste hand gehoord: mijn zusje van nu 88 was erbij, ze zat op de schouders van mijn vader. Er kwam geen eind aan de stoet, maar dat kwam ook omdat veel gelovigen na hun defilé weer bij de stoet aansloten en nog een rondje deden.
Dolle vreugde, ongekende opluchting, diep verdriet om de gevolgen van een tragische schietpartij, eerbetoon aan een bewonderde kerkvorst – allemaal ingrediënten voor een zeer bewogen dag, 7 mei 1945, wat mij betreft de meest bewogen dag uit de geschiedenis van de stad.
Heel goed dus dat we daar vandaag bij stilstaan.
Dank u wel.
